Het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) bevestigt dat de lidstaten van digitale platforms zoals Meta of Google kunnen eisen dat zij de media een „passende vergoeding“ betalen voor het gebruik van hun inhoud op internet.
Dit stelt het in Luxemburg gevestigde Hof vast in een prejudiciële uitspraak die dinsdag (12-05-2026) via een persbericht is gepubliceerd, een uitspraak die voor de hele EU rechtsbindend is en waarin het HvEU verduidelijkt dat uitgevers het gebruik van hun inhoud door platforms vrijelijk moeten kunnen toestaan of weigeren.
De uitspraak heeft betrekking op een rechtszaak in Italië die het Amerikaanse bedrijf Meta heeft aangespannen tegen een nationale regeling die platforms verplicht om met de persuitgevers te onderhandelen over een financiële vergoeding voor het onlinegebruik van hun publicaties, en die de communicatietoezichthouder (AGCOM) controlebevoegdheden toekent.
Het Europese Hof oordeelde dat het verenigbaar is met het Unierecht dat de lidstaten in het kader van de Europese richtlijn inzake auteursrechten in de digitale eengemaakte markt mechanismen instellen om deze vergoeding te waarborgen.
Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft echter verduidelijkt dat deze betaling alleen kan worden geëist als deze de „economische tegenprestatie” vormt voor een door de uitgevers verleende toestemming tot verveelvoudiging of openbaarmaking van hun inhoud.
Bovendien benadrukte het dat de media de mogelijkheid moeten behouden om het gebruik van hun publicaties te weigeren of kosteloos toe te staan, en dat aan platforms die deze journalistieke inhoud niet gebruiken, geen betaling mag worden opgelegd.
De Europese rechter achtte het ook toelaatbaar dat de Italiaanse voorschriften de platforms verplichten om met de media te onderhandelen, zonder in de tussentijd de zichtbaarheid van hun inhoud te verminderen, en de gegevens door te geven die nodig zijn voor de berekening van de vergoeding.
Deze verplichtingen, zo betoogt het Hof, kunnen bijdragen aan het waarborgen van “eerlijke” onderhandelingen tussen platforms en uitgevers, aangezien technologiebedrijven beschikken over belangrijke informatie over de economische waarde die wordt gegenereerd door het gebruik van nieuws op internet, zoals advertentie-inkomsten, verkeer of monetarisering.
Het Hof voegde hieraan toe dat het voorkomen van een lagere rangschikking of tijdelijke verwijdering van journalistieke inhoud door de platforms tijdens de onderhandelingen druk op de uitgevers kan voorkomen en hun onderhandelingspositie kan beschermen.
Het Hof van Justitie erkende dat deze verplichtingen de ondernemingsvrijheid van digitale platforms gedeeltelijk beperken, maar oordeelde dat deze beperking gerechtvaardigd kan zijn om een “correct en eerlijk” functioneren van de auteursrechtmarkt te waarborgen en de media in staat te stellen de investeringen terug te verdienen die nodig zijn voor de productie van informatie.
De Europese auteursrechtrichtlijn van 2019 kende persuitgevers voor het eerst een specifiek recht toe om bepaald onlinegebruik van hun publicaties door digitale dienstverleners toe te staan of te verbieden.
Het Hof van Justitie wees erop dat het nu aan de Italiaanse rechter is om te beoordelen of de door Italië toegepaste concrete voorschriften aan alle door het Hof vastgestelde voorwaarden voldoen.
Bron: persbureaus




