De toekomst van de Spaanse pensioenen staat momenteel centraal in publieke en politieke debatten. Nu de eerste babyboomers de pensioengerechtigde leeftijd bereiken, neemt de druk op het stelsel toe. De gerenommeerde econoom Gonzalo Bernardos brengt bijzondere duidelijkheid in deze discussie en pleit voor een latere pensioenleeftijd.
Volgens Bernardos wordt het Spaanse pensioenstelsel in principe als houdbaar beschouwd, maar het verschil tussen inkomsten en uitgaven bedraagt inmiddels meer dan 70 miljard euro. Hij noemt drie manieren om het pensioenstelsel duurzaam te financieren:
Hogere sociale premies – dit wijst hij af, omdat dit het beschikbare inkomen van de werknemers vermindert.
Bezuinigingen op de huidige pensioenen – sluit hij uit, om de sociale vrede niet in gevaar te brengen.
Later met pensioen gaan – volgens hem de meest zinvolle maatregel, in lijn met Europese trends.
De geleidelijke verhoging van de pensioenleeftijd – van 65 naar 67 jaar tegen 2027 – is al in gang gezet en volgt ontwikkelingen in landen als Denemarken of Frankrijk. Bernardos waarschuwt daarbij voor een Zweeds model, waarbij individuele premiebetalingen zwaarder wegen: juist in Spanje is de gemiddelde pensioenperiode met twintig jaar aanzienlijk langer dan de premiebetalingsperiode. Ook ziet hij risico’s wanneer pensioengelden te sterk worden blootgesteld aan de aandelenmarkt.
De bijzondere uitdaging: 1964 was het jaar met de grootste geboortegolf, wat vanaf 2029 tot een grote druk op de pensioenpot zal leiden. De pragmatische aanpak van Bernardos: hogere lonen zorgen voor hogere premiebetalingen, zonder het systeem zwaar te belasten.
Zijn conclusie blijft nuchter optimistisch: de pensioenen in Spanje zijn veilig, ook al zijn aanpassingen nodig. De vraag is niet of, maar hoe – en uiteindelijk heeft generatiegerechtigheid zijn prijs.
Bron: persbureaus





