De Spaanse regering heeft haar veto uitgesproken tegen een wet die de Balearen meer zeggenschap zou geven over het aantal vluchten op de luchthavens van de eilanden en over de vaststelling van de luchthavenheffingen. Deze wet inzake gezamenlijk luchthavenbeheer was weliswaar aangenomen door het parlement van de Balearen, maar had nog de goedkeuring van het Spaanse Huis van Afgevaardigden nodig om van kracht te worden.
In wezen vreest de regering dat de overdracht van dergelijke bevoegdheden aan een coördinatiecomité voor de Balearische luchthavens, waarin de staat geen meerderheid heeft, de inkomsten van Aena – de staatsluchthavenexploitant – en daarmee ook de inkomsten van de staat aanzienlijk zou schaden. Aena is voor 51 % in handen van de staat, en ingrijpen in de luchthavenheffingen of het aantal vluchten zou de financiële stabiliteit van het bedrijf en daarmee de staatsinkomsten in gevaar kunnen brengen.
De prognoses voor 2026 gaan uit van 49 miljoen passagiers op de vier Balearische luchthavens. Bij een gemiddelde heffing van 10,35 euro per passagier zou Aena ongeveer 32,85 miljoen euro mislopen als de heffingen worden verlaagd of bevroren. Over de periode 2027 tot en met 2031 zou het inkomstenverlies zelfs bijna 600 miljoen euro kunnen bedragen, als het aantal passagiers niet toeneemt of de heffingen bevroren blijven.
Bovendien uit de regering constitutionele bezwaren: de overdracht van bindende beslissingsbevoegdheden aan de Balearen zou de exclusieve bevoegdheid van de staat voor luchthavens van algemeen belang kunnen beperken. Ook beschouwt zij het huidige model van gezamenlijk beheer door Aena als duurzaam en financieel stabiel, terwijl territoriale uitzonderingsregelingen de synergieën van het netwerk in gevaar zouden kunnen brengen.
Tot slot benadrukt de regering dat zij de duurzaamheidsdoelstellingen, zoals decarbonisatie en het bevorderen van duurzame mobiliteit, ondersteunt en dat de luchtvaartmaatschappijen in een geliberaliseerde markt op eigen verantwoordelijkheid handelen.
Het veto illustreert de spanningen tussen regionale autonomie en staatscontrole op het gebied van infrastructuur, waarbij economische en grondwettelijke aspecten centraal staan.
Bron: persbureaus




